Berichten
Geschiedenis
De beruchte Stippenkaart uit 1941
Is de gemeente Amsterdam medeverantwoordelijk voor de vernietiging van het Amsterdamse jodendom in de Tweede Wereldoorlog? Onderstaande geschiedenis bewijst dat op deze vraag bevestigd moet worden geantwoord. De ambtenaren van de gemeente Amsterdam hebben ijverig bijgedragen aan de registratie en daarmee ook aan de deportatie en moord op de Amsterdamse Joden.
Op 10 januari 1941 werd door Reichskommissar Seyss-Inquart verordend dat alle Joodse inwoners zich moesten registreren bij het bevolkingsregister. Op 20 januari eiste Hans Böhmcker (die door rijkscommissaris Seyss-Inquart was aangesteld als de Beauftragter des Deutschen Reiche voor Amsterdam) een kaart in viervoud van de geografische verspreiding van de Joden in Amsterdam. De kaart werd gemaakt en was al op 29 januari af, een 'stippenkaart' waarop elke stip tien Joden aanduidde. Dergelijke kaarten waren al eerder gemaakt door de gemeente Amsterdam, maar dat betroffen kaarten waarop de verspreiding van besmettelijke ziekten over de stad werden aangegeven. De Joden werden dus nu als een soort bacteriële infectie opgevat, wat precies overeenkwam met de antisemitische ideologie van de nazi's. Uit niets blijkt dat er enig voorbehoud werd gemaakt of dat iemand van de gemeente had geaarzeld of dit nu wel zo snel moest worden gedaan. Er is gedurende zes à zeven dagen met twintig man keihard aan gewerkt. Op basis van het onderzoek dat aan de stippenkaart ten grondslag lag, werden andere diensten aan het werk gezet om de overige gevraagde gegevens te verzamelen (zoals een overzicht van scholen met veel Joodse kinderen). Op 15 februari was het onderzoek gedaan en heeft de gemeentesecretaris de gewenste informatie met kaarten in viervoud aan Böhmker verstrekt. Dat is dus enkele dagen na de eerste razzia in de Jodenhoek, die op 12 februari plaatsvond. De versie van de stippenkaart die bij dit artikel is gevoegd dateert van mei 1941, dus van na de gruwelijke razzia's en de Februaristaking die uit protest tegen deze razzia's plaatsvond. Het onderzoek is met grote vlijt uitgevoerd door de ambtenaren van de gemeente Amsterdam. Als men een Jood onverhoopt niet kon vinden, werden overuren gemaakt om het adres alsnog te achterhalen. Uit de werkinstructies blijkt bovendien dat men keuzes maakte die voor de Joden ongunstig uitpakten. Een gevonden Jood hoefde niet nagetrokken te worden, van iemand waarvan niet duidelijk was of hij Joods was wél. Ook liet men weten dat men uitging van een inschrijving in één van de twee joodse kerkgemeenten en er in werkelijkheid veel méér Joden waren: mensen met een Joodse achtergrond die niet bij een kerkgemeente stonden ingeschreven. Dat de Duitsers dat maar beseften! Om die reden waren er ook ariërverklaringen nodig en de al eerder genoemde verplichte registratie.
De reden voor het verzoek een kaart te maken van de verspreiding van de Joden in Amsterdam, was het voornemen van de Duitsers een ghetto in te stellen dat van de rest van de stad kon worden afgesloten. Uit de kaart bleek echter dat dit voor Amsterdam een onhaalbare kaart was: de Joden waren teveel verspreid over de gehele stad, ook al was er sprake van een concentratie in twee buurten, de oude Jodenbuurt en de Transvaalbuurt. De Duitsers zagen daarom uiteindelijk af van de stichting van een ghetto. In Amsterdam hoefde geen echt ghetto te worden gesticht, in tegenstelling tot veel andere steden in Europa. Het eerste 'jodentransport' naar Westerbork vond plaats op 15 juli 1942. Een fysieke concentratie in een afgesloten stadswijk was niet nodig, omdat men van elke Jood zijn of haar woonadres wist, dankzij het efficiënt werkende bevolkingsregister. Mede daardoor is het percentage vermoorde Joden in Nederland het grootst van alle door de nazi's bezette landen. Van de bijna 80.000 Joden in Amsterdam, werden er ongeveer 65.000 vermoord, zo'n 80%. In België was dat 40% en in Frankrijk 25%.
Een replica van de stippenkaart wordt tegenwoordig getoond in het Holocaust Museum.
(27 februari 2016)


