Home Binnenstad Lezingen Excursies Publicaties Berichten Contact

Berichten

Wat is er eigenlijk mis met de term Gouden Eeuw?

In 1975, toen Amsterdam 700 jaar bestond, werd het Amsterdams Historisch Museum in het Burgerweeshuis geopend. Het museum is geliefd onder Amsterdam-liefhebbers als de plek bij uitstek om diverse voor onze geschiedenis belangrijke kunstvoorwerpen te bekijken of als startpunt voor historische rondleidingen. Het gebouw waarin het museum is gevestigd, vertelt eigenlijk al meteen wat er zo bijzonder was aan de Gouden Eeuw, dat de stad een openbare instelling in het leven riep om niet alleen weeskinderen te huisvesten en te voeden, maar ze ook een opleiding te geven. En dan wordt nu opeens iedereen op de kast gejaagd met het bericht dat het museum niet langer de Gouden Eeuw zal gebruiken, omdat deze naam "niet deugt". (1)

Toen ik de eerste berichten daarover hoorde, dacht ik aan Johan Huizinga, die bijna tachtig jaar geleden al opmerkte dat de naam teveel refereert aan de aurea aetas, het mythologische Luilekkerland van Ovidius. Als ons bloeitijdperk een naam moet hebben, schreef Huizinga, laat het dan zijn naar pek en teer, durf en vroomheid, geest en fantasie. Gouden Eeuw zou beter passen bij de 18de eeuw, toen het goud gemunt in de geldkisten lag en uiterlijke schijn belangrijker werd. (2)

Huizinga had volstrekt gelijk, maar hij had uiteraard geen bezwaar tegen het aanduiden van de 17de eeuw als een bloeiperiode. Het valt moeilijk te ontkennen dat de bedoelde periode een tijd is geweest van bloei en welvaart. Er is in onze geschiedenis eigenlijk geen andere periode aan te wijzen met zoveel hoogtepunten, in de schilderkunst, de architectuur, de letteren, wetenschap, noem maar op. Bovendien valt niet te ontkennen dat de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, toen zij in 1648 als onafhankelijk land werd erkend, het economisch en politiek belangrijkste land ter wereld was. Amsterdam toen is te vergelijken met het huidige New York, dat niet toevallig is gesticht als Nieuw Amsterdam. Daar komt nog bij dat de periode niet alleen het ontstaan van ons land als natie markeert, maar ook onze cultuur, waarin diversiteit en tolerantie werden omarmd, tot bloei kwam. De Republiek was het toevluchtsoord van een opmerkelijk groot aantal van de grootste geesten en cultuurdragers van het vroegmoderne Europa. Ons land was eigenlijk een magneet voor iedereen die in eigen land niet vrij en veilig kon zijn. Zo spreken buitenlandse bezoekers met verbazing over het feit dat de Joden in vrijheid konden leven in Amsterdam. Er was zelfs geen getto zoals dat elders in Europa gewoon was. Is dat alles niet voldoende reden om trots te zijn op ons verleden, ondanks de onmiskenbare schaduwkanten van de zucht naar geld en macht, dat het Hollandse kapitalisme onvermijdelijk ook met zich mee bracht?

Het museum zegt nu dat de term "geen recht (doet) aan de historische werkelijkheid". Ik ben het daarmee oneens, omdat de term perfect weergeeft dat het hier om onze belangrijkste bloeiperiode gaat. Dat de term Gouden Eeuw de lading niet zou dekken wordt onder meer beargumenteerd met de stelling dat de periode niet iedereen welvaart bracht, zeker niet zij die in slavernij werden weggevoerd, maar ook niet de doorgaans arme bevolking in de Republiek zelf. Dat laatste is niet waar. De Republiek was geen democratie en de macht kon zich alleen legitimeren door haar 'goede bestuur'. De regenten moesten ervoor zorgen dat de bevolking het goed had, anders zouden er opstanden uit breken. Dit 'contract' bleef bestaan tot het economisch helemaal mis ging in de 18de eeuw, de handel stagneerde en de bevolking werkloos werd. Het was daarna al snel afgelopen met het regentenbestuur. Uit economisch onderzoek is gebleken dat de lonen in de Republiek tot de hoogste behoorden ten noorden van de Alpen, zelfs twee keer zo hoog als in Duitsland, en alleen dat al zorgde ervoor dat vele immigranten hun fortuin in de Republiek zochten. (3) Buitenlandse bezoekers noemden Amsterdam een Nieuw-Babylon, zoveel talen werden er op straat gesproken. Dat er ook armoede werd geleden, valt uiteraard niet te ontkennen, maar dat het in de Gouden Eeuw in dat opzicht slechter was dan andere landen valt te betwijfelen. Zo was de Hollandse samenleving behoorlijk hoog ontwikkeld vergeleken met andere landen in de beschouwde periode. In reisverslagen van buitenlandse bezoekers wordt vaak gesproken over de schoonheid, ordelijkheid en reinheid van de Hollandse steden. Zij die niet slaagden vervielen inderdaad tot armoede, maar Amsterdam had een uitgebreid sociaal vangnet waarin armenzorg in de vorm van gratis brood, turf en huisvesting voorkwam dat de armen moesten bedelen op straat. Verreweg de meeste mensen pikten wat mee van de voorspoed. Er waren bijvoorbeeld zoveel VOC-aandelen in omloop, dat we zelfs een exemplaar hebben aangetroffen in het archief van de Weeskamer. Zelfs een wees kon VOC-aandeelhouder zijn.

Het museum onderbouwt haar stelling dat de term 'Gouden Eeuw' niet de lading dekt van de historische werkelijkheid omdat volgens haar de schaduwkanten niet incidenteel waren maar een wezenlijk onderdeel van de beschouwde periode: "Denk aan armoede, oorlog, dwangarbeid en mensenhandel in een context waarin Amsterdam regeerde over verschillende bezette gebieden overzee". Merk op dat de term 'kolonie' is vervangen door de anachronistische aanduiding 'bezette gebieden'. Hoe dan ook, nu zal ik de laatste zijn die zal beweren dat er geen verschrikkelijke dingen gebeurden in de Gouden Eeuw. Je kunt je echter afvragen of de Hollanders hierin afweken van alle andere Europese volkeren. Neem nu de Engelsen en de Fransen die in 1672 de Republiek binnen vielen. Het Rampjaar kan gezien worden als een reactie van de absolute monarchieŽn in Europa op dat uitermate irritante bolwerk van vrijheid en tolerantie, die vervelende burgerrepubliek die met haar bestaan aantoonde dat een land helemaal geen keizers of koningen nodig heeft. En dus behoorlijk subversief was. Dat is wat ons onderscheidt van al die andere minstens zo brute machten. Wij hebben de slavernij niet uitgevonden. Mensenhandel bestond al sinds de oudheid. Zelfs de trans-atlantische driehoekshandel is niet door de Hollanders uitgevonden. Los daarvan, je moet altijd oppassen dat je het verleden niet beoordeeld vanuit de normen en waarden van je eigen tijd. Een geesteswetenschapper dient zich daarvan altijd bewust te zijn.

De grootste schaduwkant van de Gouden Eeuw is ontegenzeggelijk de van de Portugezen overgenomen slavenhandel. Uit recent onderzoek weten we dat de trans-atlantische driehoekshandel in de tweede helft van de 18de eeuw verantwoordelijk was voor zo'n tien procent van het bruto nationaal product van Holland. (4) De onderzoekers hebben echter niet toevallig voor de 18de eeuw gekozen in plaats van de 17de eeuw: de slavenhandel werd in de loop van de tijd relatief steeds belangrijker en was in de 17de eeuw dus nog niet zo belangrijk als later. Hetzelfde geldt voor het kolonialisme. De Gouden Eeuw is meer een periode van handelsposten en -nederzettingen dan van militair bestuurde koloniŽn die vooral voor de 18de en 19de eeuw van belang zijn. Het is dus niet helemaal duidelijk waarom genoemde schaduwkanten zo specifiek zijn voor de Gouden Eeuw en dus nopen tot afschaffing van die term.

Maar het 'opiniestuk' voegt er nog een element aan toe. Het gaat niet alleen om de aandacht voor uitbuiting en slavernij, het blijkt ook om identiteitspolitiek te gaan. Het woord zou staan voor een bepaald denkstelsel waarvan nog veel meer woorden taboe moeten worden verklaard. Uit het online geplaatste opiniestuk blijkt dat het museum zelfs bezig is met het opstellen van een lijst van verboden woorden. Je kunt je afvragen of de door het museum zo gewenste dialoog is gebaat met het verketteren van andermans taalgebruik. Kan je met het containerbegrip 'Gouden Eeuw' niet elk verhaal vertellen en ook de schaduwkanten van deze tijdsperiode belichten? De Gouden Eeuw is immers ook het verhaal van verovering en uitbuiting. Nee, want de term zelf draagt volgens het museum ertoe bij dat de geschiedenis van de 17de eeuw slechts "vanuit het perspectief van de machthebbers wordt bezien" en daarom niet aansluit bij bepaalde nieuwe doelgroepen "in Nieuw-West en Zuidoost", lezen we. De term Gouden Eeuw staat een "veelzijdig narratief in de weg". Ik heb geprobeerd dit te begrijpen, maar ik zie met de beste wil van de wereld niet waarom het gebruik van een woord een dialoog in de weg zou staan. Er ligt ook de suggestie in dat trots op onze stad en onze geschiedenis, die misschien in de term tot uitdrukking wordt gebracht, louter te verwachten valt bij witte grachtengordelbewoners. Dat is helemaal niet mijn ervaring. De fanatiekste Amsterdam-liefhebbers zijn vaak nieuwe Amsterdammers. Los daarvan staat de Gouden Eeuw ook voor bepaalde zaken, die zodanig tot onze DNA behoren, dat het mij bepaald onwenselijk lijkt de Gouden Eeuw tot iets verdachtst en onguurs te maken. Ik werd vooral getroffen door deze zin in het opiniestuk: "Wie bepaalt dat je een eeuw 'goud' noemt als velen van onze voorouders niet meedeelden in dat goud en de voorspoed of slachtoffer waren van de honger naar macht en rijkdom, in de vorm van uitbuiting, moord en slavernij?" Dat is zo eenzijdig dat je niet meer kunt spreken van serieuze of objectieve wetenschapsbeoefening. Directeur Judikje Kiers moet zich schamen dat haar handtekening onder dit politiek-radicale epistel staat.

Ook om de volgende reden. Eigenlijk loont het de moeite nog eens goed te onderzoeken waarom de term Gouden Eeuw in de 19de eeuw werd geÔntroduceerd. (5) Die term speelde een rol in de herontdekking van onze nationale identiteit. De Gouden Eeuw was een periode van bloei, waarin ondernemerszin en innovatiedrift prevaleerden, zo ongeveer het tegenovergestelde van de ingedutte Jan Salie-mentaliteit waarover Potgieter in 1842 sprak in De Gids, aan de vooravond van de periode die wij (nu nog wel) de Tweede Gouden Eeuw noemen. De Gouden Eeuw is een verloren paradijs. De term werd gebruikt om de deerniswekkende eigen tijd op ongunstige wijze te vergelijken met het rijke verleden van ons land. (6) Het is dezelfde periode waarin begrippen als de 'historische binnenstad' en 'grachtengordel' werden uitgevonden. Dat waren allemaal positieve begrippen waaraan we onze identiteit ontleenden. In dat klimaat kon er een omslag in het denken over de oude stad komen die precies op tijd kwam. Het was een periode van sloop en dempingen, waarin de oude koopmansstad zich snel transformeerde in een moderne city. Potgieter merkte al in 1858 op dat sloop/nieuwbouw de stad niet mooier maakte: "Waar rees, hoe vaak de moker klonk, iets schooners op dan wat er zonk?" Rond 1900 werden diverse oudheidkundige verenigingen opgericht die aan dat gevoel met ons verleden invulling gaven door op te komen voor het behoud van de oude stad, haar monumenten en haar vele kunstschatten. Waar zal het revolutionair activisme, dat het museum eigen heeft gemaakt, toe leiden? Weghalen van onwelgevallige voorwerpen en vervanging daarvan door objecten die beter passen in het nieuwe denken, voorwerpen die bedoeld zijn om nieuwe doelgroepen aan te spreken? Kortom, een nieuwe Beeldenstorm? Het verwijderen van het borstbeeld van Johan Maurits uit het Mauritshuis wordt door het museum al genoemd als voorbeeld van wat ons te wachten staat. We zien die ontwikkeling zich trouwens al enkele jaren in het museum voltrekken, vanaf het moment dat het museum zijn naam Amsterdams Historisch Museum veranderde in Amsterdam Museum. Waardevolle objecten uit de Gouden Eeuw - waaraan ik bijzonder gehecht was - werden opgeborgen in het depot om ruimte te bieden aan andere voorwerpen uit latere perioden. Kortom, het museum is eigenlijk al jaren bezig, naar eigen zeggen, "nieuwe doelgroepen aan te spreken". Deze nieuwste wanhopige poging om nieuw publiek aan te trekken, heeft echter een akelig bijeffect. Hoe kunnen wij verwachten dat nieuwe generaties zich nog blijven inzetten voor het cultuurbehoud wanneer je je moet schamen voor wat onze voorouders hebben voortgebracht?

Ik ben niet bijzonder gehecht aan de term Gouden Eeuw. Ik spreek zelf meestal over de 17de eeuw. Wat mij vooral stoort is de eenzijdigheid van het nieuwe narratief waar het museum voor kiest. Ik heb het Amsterdam Museum lief en ik heb het bovenstaande geschreven omdat ik mij zorgen maak. Op de sociale media staan zeer boze reacties, ook van mensen die zeggen geen stap te zullen zetten in het museum. Daarop heb ik geantwoord dat je vooral moet blijven komen naar het museum. Dat is immers van alle Amsterdammers.

Voetnoten
1. Zie het essay van Tom van der Molen, 'Wiens Gouden Eeuw? Over een naam die niet deugt'. (https://www.amsterdammuseum.nl/sites/default/files/essay_tom_van_der_molen.pdf) en ook het opiniestuk van de directie van het museum (amsterdammuseum.nl/sites/default/files/opiniestuk_gouden_eeuw_amsterdam_museum.pdf)
2. J.Huizinga. Nederland's beschaving in de zeventiende eeuw. Haarlem, 1941: p. 175-176
3. Jan de Vries en Ad van der Woude. Nederland 1500-1815. De eerste ronde van moderne economische groei. Amsterdam, 1995: p. 713
4. Pepijn Brandon en Ulbe Bosma. 'De betekenis van de Atlantische slavernij voor de Nederlandse economie in de tweede helft van de achttiende eeuw'. TSEG 16-2 (2019)
5. De term werd voor het eerst gebruikt door de 18de-eeuwse kunsthistoricus Arnold Houbraken, maar werd pas populair in de 19de eeuw.
6. J.C.H. Blom, E. Lamberts (red.). Geschiedenis van de Nederlanden. Rijswijk, 1993: p. 187

(16 september 2019)

[Over deze website]   [Contact opnemen]   [Inloggen]