Home Binnenstad Lezingen Excursies Publicaties Berichten Contact

Berichten

Nieuw Amsterdam Museum

Topstukken in de Amsterdam-Collectie

In 2025 moet een Nieuw Amsterdam Museum in het Burgerweeshuis de deuren openen. In de glossy brochure lezen we: "We combineren historische en hedendaagse (kunst)objecten en verhalen en vullen die aan met de creativiteit en de kritische blik van hedendaagse kunstenaars." Wij houden ons hart vast. Het was natuurlijk al een veeg teken dat het museum modieuze rommel als Double date, Love and Extacy van Micha Klein uit 1996 aankocht en inmiddels zelfs topstukken noemt. De afgelopen jaren was er steeds minder ruimte voor de vaste collectie van hoge (kunst)historische waarde. Veel belangrijke topstukken hangen nu in de 'tijdelijke' Amsterdam Museum-Vleugel van de Hermitage aan de Amstel.

De belangrijkste stukken uit de Amsterdam-Collectie bevinden zich overigens in het Rijksmuseum. De beroemdste kunstwerken uit de Gouden Eeuw, zoals de Nachtwacht, de Staalmeesters en het Joods Bruidje van Rembrandt en De terugkomst in Amsterdam van de tweede expeditie naar Oost-Indië van Hendrik Cornelisz Vroom, zijn permanent uitgeleend aan het Rijk. Zou niet één van deze topstukken, immers oud stadsbezit, naar het Amsterdam Museum moeten? Dan is een bezoek aan het museum voor de buitenlandse bezoeker een absolute must. Gelukkig is er nog genoeg over om een heel museum mee te vullen. Wat zijn de belangrijkste topstukken die niet mogen ontbreken op zaal? Een persoonlijke visie, want iedereen heeft natuurlijk zijn eigen favorieten. Mijn lijst bestaat uit 30 kunstwerken. Wat zijn uw favorieten? Laat het weten!

SA 3009. Vogelvlucht van Amsterdam

De Vogelvlucht van Amsterdam van Cornelis Anthonisz (1500-1561) uit 1538 zou het belangrijkste topstuk van het Amsterdam Museum genoemd kunnen worden. Het hangt momenteel in een achteraf zaaltje, maar de regelmatige bezoekers weten de oudste plattegrond van Amsterdam wel te vinden. Het schilderij geeft een uniek beeld van de middeleeuwse stad, een stad met vooral houten huizen, in een door de mens gecreëerd landschap. De enige stenen gebouwen zijn de kerken, de kloosters en stadspoorten. Elk huis is tot in details afgebeeld en de betrouwbaarheid is vrij groot, al is die door reparaties van de schade door de stadhuisbrand van 1652 minder geworden. Er bestaat ook een plattegrond in houtsnede. Deze versie uit 1544 wordt veel gebruikt bij bouwhistorisch onderzoek.

SA 2079. Allegorie op de uitbreiding van Amsterdam, Nicolaes Berchem

De Allegorie op de uitbreiding van Amsterdam van Nicolaes Pietersz. Berchem (1620-1683) getuigt van de stedelijke trots op de 17de-eeuwse stadsuitbreidingen rondom de middeleeuwse stadskern, die Amsterdam in een periode van een halve eeuw vier keer zo groot maakte. De Amsterdamse stedenmaagd toont de ontwerpkaart van de Vierde Uitleg van Daniël Stalpaert uit 1662, een kunstwerk dus op een kunstwerk. Deze stadsuitleg voltooide de in 1612 aangelegde grachtengordel tot voorbij de Amstel. Om de stedenmaagd heen getuigen goden en personificaties van de grootsheid van Amsterdam. Staande op een schelp en temidden van zeewezens torst de Overvloed een last van vruchten. Links rijst Neptunus op uit de oceaan; de handelsgod Mercurius zit geheel rechts, met naast zich een vrouw die met een zandloper en een appel waarschuwt voor de vergankelijkheid en het zondige leven. De stedenmaagd ziet op naar de oppergod Jupiter en zijn vrouw Juno, die de stad zullen beschermen. Bovenin bazuint de Faam de roem van Amsterdam uit naar de vier windstreken. Het kunstwerk toont aan dat men al in de 17de eeuw zo trots was op de stadsuitbreiding die de grachtengordel heeft opgeleverd, dat het in de context van de goden werd geplaatst. Is de Amsterdamse binnenstad niet een paradijs?

DA 18. Kaart van het uitbreidingsplan Zuid, H.P. Berlage

Het Uitbreidingsplan Zuid van H.P. Berlage (1856-1934) uit 1915 is voorzien van het monogram van de ontwerper. Deze kaart is veel gedetailleerder dan de bekende rode kaart die altijd ten onrechte de plankaart wordt genoemd. Deze kaart bevat ook de inrichting van de openbare ruimte, zoals profielen, inclusief de tramlijnen. De rode kaart, waar de nadruk niet op de openbare ruimte maar op de bouwblokken ligt, is door P.W. als presentatiekaart gebruikt, samen met het geraamteplan dat op 25 en 26 okt. 1917 door de raad is vastgesteld. Deze veel belangrijkere plankaart, gemaakt van katoen, papier, hout en waterverf, wordt in het depot bewaard en zou op zaal moeten hangen. Berlage was beïnvloed door het denken van de Oostenrijkse architect Camillo Sitte (1843-1903) die een stedenbouw op artistieke principes voorstond. De aantrekkelijkheid van steden kon worden vergroot door gebogen straten en onregelmatigheid in het stratenpatroon. Berlage staat dus in de Amsterdamse traditie van de op de tekentafel ontworpen stad, de moderne opvolger van de vroeg-moderne stedenbouw.

KA 18059. Kaart van het Algemeen Uitbreidingsplan 1935

Deze maquette van Amsterdam toont in zwart de bestaande stad in 1935 en in rood de uitbreidingswijken van het Algemeen Uitbreidingsplan 1935. Het AUP is de belangrijkste stadsuitbreiding in de geschiedenis van Amsterdam en heeft tot op de dag van vandaag de stad bepaald zoals we die kennen. De structuur van lobben of vingers liet ruimte over voor veel groen en water dat daardoor altijd dichtbij is. Het plan betekende wel een scheiding tussen wonen, werken, verkeer en recreatie en vereiste de aanpassing van de historische binnenstad aan de hedendaagse eisen, onder meer door verkeersdoorbraken (in geel weergegeven). De kaart wordt in het museum op een tafel tentoongesteld, op de afdeling over de 20ste eeuw, want het is eigenlijk een maquette: de bouwblokken zijn uit karton geknipt. De kaart zou als startpunt van een wandeling door het museum kunnen dienen, omdat het de gehele stad weergeeft en ook zijn historische ontwikkeling. Het kan echter ook dienen voor een verhaal over de 20ste-eeuwse stadsuitbreiding en het toenmalige denken over de stad en ook over de strijd om de binnenstad in de 20ste eeuw - een onderwerp trouwens dat ook niet in het museum zou mogen ontbreken.

SA 3044. De Dam met het stadhuis in aanbouw, Johannes Lingelbach

De Dam met het stadhuis in aanbouw van Johannes Lingelbach (1622-1674) uit 1656. De Dam, gezien naar het Noorden, is het bedrijvige hart van de stad. Naast kruiers en eenvoudige kooplui, zien we gegoede burgers en hun bedienden. Amsterdam was in de Gouden Eeuw een immigrantenstad (een maatschappelijk relevante constatering). De meeste immigranten kwamen uit de zuidelijke Nederlanden, echter meer uit Brabant dan uit Antwerpen. Maar ook uit exotische streken kwamen er kooplieden naar Amsterdam, zoals weergegeven op dit schilderij. Geheel rechts staan enkele oosterse kooplieden te onderhandelen. Amsterdam was al in de 17de eeuw een cosmopolitische stad en eigenlijk is dat altijd zo gebleven. De dominante positie van Amsterdam in de wereldhandel wordt ook geïllustreerd door het nieuwe stadhuis van Jacob van Campen, waarvan de bouw nog in volle gang is: het staat in de steigers. Er staan enkele gerechtsdienaren voor, die herkenbaar zijn aan de Roede van Justitie in hun hand.

KA 12023. Houten model van het stadhuis op de Dam, Jacob van Campen

Authentieke houten maquette van het stadhuis op de Dam, ontworpen door Jacob van Campen in 1648. Het model is gemaakt naar het eerste volledig uitgewerkte ontwerp van Jacob van Campen, mogelijk in het voorjaar van 1648. De schaal is 1:45. De buitengevels zijn uitgevoerd zoals ze in het model te zien zijn. De maquette is uniek te noemen, aangezien er niet veel maquettes uit de zeventiende eeuw bewaard zijn gebleven. Het model is gebruikt tijdens de bouw als hulpmiddel voor de timmerlui. De maquette werd bewaard in de rariteitenkamer van het stadhuis zelf en is daardoor blijven bestaan. Op een tekening van J.M.A. Rieke uit 1888 is het model te zien in een kamer op de bovenverdieping van het stadhuis aan de Oudezijds Voorburgwal.

BB 208.1. Borstbeeld van Joan Huydecoper, Artus Quellinus

Marmeren borstbeeld van Joan Huydecoper, burgemeester en raad van Amsterdam van Quellinus uit 1654. De Vlaamse beeldhouwer Artus Quellinus (1609-1668) was naar Amsterdam gekomen om het beeldhouwwerk te maken voor het nieuwe stadhuis van Jacob van Campen op de Dam. Hij heeft echter ook enkele portretten gemaakt. Dit borstbeeld is misschien wel het beste voorbeeld. Tussen 1651 en 1660 was Joan Huydecoper (1599-1661) zesmaal burgemeester. Hij was ook één van de initiatiefnemers van de bouw van het nieuwe stadhuis en stond bekend als een beschermer van de kunsten. Als mecenas ondersteunde hij verschillende schilders en dichters. Zijn huis op het Singel, het Huis Huydecoper (Singel 548), liet hij ontwerpen door bouwmeester Philips Vingboons (1607-1678). De dichter Joost van den Vondel maakte een gedicht bij het borstbeeld. Het borstbeeld beeldt de burgemeester af als een Romeinse consul. Zo zagen deze machtige bestuurders zichzelf graag.

SA 9722. De Dam met de Nieuwekerkstoren. Cornelis de Bie, naar Jacob van der Ulft

Dit gezicht op de Dam van Cornelis de Bie, naar Jacob van der Ulft, uit 1653 toont de Nieuwekerkstoren, die het stadhuis overvleugelt. De toren van de Nieuwe Kerk is echter nimmer voltooid. In 1646 - twee jaar vóór de eerstesteenlegging van het nieuwe stadhuis - was de bouw begonnen, maar al in 1653 werd de bouw gestaakt, direct na het overlijden van de 'gouden kerkpilaar', Willem Backer (1595-1652), de drijvende kracht achter het torenplan (NZ Voorburgwal 284). Het plein is levendig gestoffeerd met wandelende en pratende lieden, slepers en koopvrouwen bij haar uitstalling. Rechts op de voorgrond een gedeelte van het Damrak, waar arbeiders bezig zijn een schuit af te laden. Het schilderij geeft een prachtig beeld hoe de Dam geworden was als de Nieuwekerkstoren daadwerkelijk was afgebouwd.

KA 12630. De twee houten modellen van de Nieuwekerkstoren

Er zijn enkele ontwerpen van de toren bewaard gebleven, evenals een aantal tekeningen en schilderijen van de Dam met de voltooide kerktoren. Van de toren bestaan twee houten modellen, de één in een gotiserende, de andere in een classicistische stijl. Beide modellen worden toegeschreven aan Jacob van Campen, die niet alleen het stadhuis op Dam ontwierp, maar ook verantwoordelijk was voor de herbouw van de Nieuwe Kerk na de brand van 1645. Het is opmerkelijk dat Jacob van Campen, de architect van het Hollands Classicisme, ook een ontwerp in gotische stijl maakte. Dit toont aan dat de gotiek niet zozeer als een tijdgebonden architectuur van de middeleeuwen werd gezien, maar als een voor een kerkgebouw toepasselijke architectuur, zelfs in de 17de eeuw waarin het Hollands Classicisme de gangbare bouwstijl was geworden. Waarom werd de torenbouw gestaakt? Mogelijk was dit het gevolg van een economische crisis. In 1652 brak immers de Engelse Oorlog uit die de handel in Amsterdam vrijwel plat legde. De stad moest flink op haar bouwkosten bezuinigen. We zien dan ook een terugval en stabilisatie in de uitgaven van Publieke Werken vanaf 1652. Bovendien lag de prioriteit van het stadsbestuur bij de bouw van het stadhuis. Alhoewel het nimmer overtuigend is aangetoond, wilde het stadsbestuur misschien niet dat het nieuwe stadhuis - symbool van de seculiere staat - zou worden overvleugeld door een hoge kerktoren - symbool van de kerk. Eén van de twee modellen wordt in het museum getoond, de andere bevindt zich in het depot. Het zou lekker zijn om ze allebei naast elkaar te tonen.

SB 5825. De terugkomst in Amsterdam van de tweede expeditie naar Oost-Indië, Hendrik Cornelisz Vroom

Het is begrijpelijk waarom het Rijksmuseum dit schilderij op zaal heeft hangen: het is een topstuk voor het verhaal over de opkomst van ons land als handelsnatie. Het toont de terugkomst in Amsterdam van de tweede expeditie naar Oost-Indië, van Hendrik Cornelisz Vroom (1566-1640) uit 1599. Maar om dezelfde reden zou het in het Amsterdam Museum moeten hangen; het betreft immers in de eerste plaats de geschiedenis van Amsterdam. Het is bovendien een meesterwerk. Op de achtergrond is een stadsprofiel te zien. Gelukkig is er nog een ander schilderij van Vroom waarop de retourvloot is te zien. Dat hangt wel in het museum, maar op een ongelukkige plaats boven een trapgat, waardoor het moeilijk te bekijken is.

SA 7421. De Gouden Leeuw op het IJ, Willem van de Velde

Mede dankzij de ontdekkingsreizen was Amsterdam in de Gouden Eeuw de belangrijkste handelsstad van de wereld. Het IJ lag vol met handelsschepen. Onder de vele schepen op het IJ is het vlaggenschip van admiraal Cornelis Tromp, de Gouden Leeuw. Het schilderij van Willem van de (II) Velde (1633-1707) uit 1686 laat zien dat het schip bij zijn aankomst op hoog bestuurlijk niveau begroet werd: precies in het midden op de voorgrond vaart een staatsiesloep van de stad Amsterdam langs, kennelijk onderweg naar de Gouden Leeuw, en links vuurt een Statenjacht een saluutschot af. In de verte is het profiel van de stad te zien, waarin te onderscheiden van links naar rechts de Oosterkerkstoren, de Montelbaanstoren, de Schreierstoren en de Oudekerkstoren. Het schilderij is afkomstig uit de Schreierstoren, waar het tot 1808 hing. Het wordt soms op zaal getoond, maar het bevindt zich thans weer in het depot.

SA 22993. Spiegelgevecht op het IJ ter ere van Peter de Grote, Abraham Storck

Het Spiegelgevecht op het IJ ter ere van het Moskovisch gezantschap op 1 september 1697 van Abraham Storck (1644-1708) uit 1697. Tijdens het verblijf van Tsaar Peter de Grote in Amsterdam werd op 1 september 1697, als deel van een uitgebreid feestprogramma ter ere van het Russische gezantschap, een spiegelgevecht op het IJ gehouden. De tsaar, herkenbaar aan zijn rode jas, bevindt zich op het jacht links, dat zijn vlag voert: een bekroonde tweekoppige adelaar. Het schilderij draagt de toenmalige positie van Amsterdam in de wereld uit. Amsterdam was te vergelijken met het huidige New York, dat ooit Nieuw Amsterdam heette. Peter de Grote zou in 1716 Amsterdam voor de tweede maal bezoeken en logeerde toen bij koopman Christoffel Brants op Keizersgracht 317.

SA 7361. Schutters van het vendel van kapitein Abraham Boom en luitenant Anthonie Oetgens van Waveren

De vrijheid van de burgerstad Amsterdam was bevochten. Dit schuttersstuk van Nicolaes Lastman (1586-1625) en Adriaen van Nieulandt (1587-1658) uit 1623 toont de schutters van het vendel van kapitein Abraham Boom en luitenant Anthonie Oetgens van Waveren. Het historisch zeer belangrijke schuttersstuk is te zien op de 'tijdelijke' tentoonstelling in de Hermitage a/d Amstel. In het najaar van 1622 werd een groep Amsterdamse schutters naar Zwolle uitgezonden om de stad tegen een mogelijke aanval te verdedigen, aangezien de in Zwolle gelegerde soldaten waren ingezet tegen de Spaanse troepen in Overijssel en Friesland. Trots op hun bijdrage aan deze tocht lieten negen van hen zich op dit groepsportret in de open lucht vereeuwigen. Uitzonderlijk is dat de betreffende compagnie is samengesteld uit verschillende burgervendels van de Amsterdamse schutterij. De negen schutters op Lastmans schilderij zijn ten voeten uit geportretteerd in houdingen, ontleend aan kopergravures uit de 'Wapenhandelinghe' van Jacob de Gheyn – een militair instructieboek uit 1607, dat onder prins Maurits was uitgegeven. Dat is geen toeval: op deze manier toonden de burgers hun verantwoordelijkheid voor de verdediging van de stad. Op het opgestoken vaandel is het wapen van Amsterdam zichtbaar. Rechts op de achtergrond is in een simultaanvoorstelling te zien hoe de mannen in het open veld aan het oefenen zijn. Ondanks het ontbreken van een namenlijst, die naar alle waarschijnlijkheid op het geschilderde papier rechtsonder was aangebracht, kan een aantal van de schutters worden geïdentificeerd. Links van de vaandrig, in het zwart gekleed en met een korte piek in de hand, staat kapitein Abraham Boom. Hij was vanaf 1616 kapitein in wijk IX, het gebied ten noorden van de Nieuwmarkt. Rechts van de vaandrig, met een partizaan als sierwapen, staat luitenant Anthonie Oetgens van Waveren, die in wijk XVII woonde, ten zuiden van de Dam (Singel 284). In 1638 zijn ze als burgemeesters nogmaals samen geportretteerd. De herkomst van het schuttersstuk is bekend, namelijk de Voetboogdoelen, in de 'andere bovenkamer, St. Joris genaempt'.

SA 7318. De Schutters van de compagnie van kapitein Joan Huydecoper en luitenant Frans van Waveren van Govert Flinck

De Schutters van de compagnie van kapitein Joan Huydecoper en luitenant Frans van Waveren van Govert Flinck uit 1648 - het jaar van de Vrede van Münster - is een belangrijk schuttersstuk waarop de invloed van Rembrandts Nachtwacht is te zien. Het bijna drie meter grote schilderij hing oorspronkelijk in de Voetboogdoelen aan het Singel. Het doek toont de corpulente kapitein Joan Huydecoper van Maarseveen (1599-1661), de vermoedelijke opdrachtgever, die juist met enkele schutters vanuit het doelengebouw naar buiten komen. Hij treft daar luitenant Frans Oetgens van Waveren (1619-1659), die zijn hoed heeft afgenomen en zijn manschappen presenteert. Op de achtergrond is het huis van Huydecoper op het Singel te zien, dat in werkelijkheid verderop aan het Singel stond, vlakbij de Munttoren. Het schuttersstuk zat jarenlang in depot, maar is momenteel te zien op de 'tijdelijke' tentoonstelling in de Hermitage a/d Amstel. Het schuttersstuk toont de burgerij van de stad die de eigen verdediging organiseert. Het is niet overtreffen te stellen dat het schuttersstuk het belangrijkste portret uit de schilderkunst van ons land is: het is zowel een portret van de burgers als van de stad zelf.

SB 5755. De vier burgemeesters, Thomas de Keyser

Een schilderij van Thomas de Keyser uit 1638 toont een groepsportret van de vier burgemeesters, één van de weinige uitbeeldingen van het college van vier burgemeesters. Het portret toont het moment waarop het nieuws van de komst van Maria de Medici in Amsterdam aan de burgemeesters wordt medegedeeld. De burgemeesters zitten aan tafel: van rechts naar links zijn dat Abraham Pietersz Boom, Albert Coenraetsz Burgh, Pieter Pietersz Hasselaer en (opnieuw!) Anthony Oetgens van Waveren. De belangrijkste burgemeester, de presiderend burgemeester, is Abraham Boom, de man die ons aankijkt (vroeger dacht men dat dit Anthony Oetgens van Waveren, was maar de opsomming is van rechts naar links). Juist vanwege zijn zeldzaamheid is dit schilderij zo bijzonder dat het in de opstelling van het museum niet kan ontbreken. Zoveel schutters- en regentenportretten er zijn, er is maar één portret van de vier burgemeesters, dit kleine schilderijtje van Thomas de Keyser, gemaakt ter gelegenheid van een historische gebeurtenis. Het is te zien in de 'tijdelijke' tentoonstelling in de Hermitage a/d Amstel.

SA 40261. De overlieden van het Metselaarsilde, T. van der Elst

Dit schilderij uit 1659, toegeschreven aan een zekere T. van der Elst, toont de overlieden van het Metselaarsgilde. Beneden over de volle breedte staat een het onderschrift: "Hendrick Woutersz. van der Spelt / Jan Jansen Nes / Claes Barents Bouman / Jacobus Hoeckgeest / Dirck Harmensz. Muller // hebben desen hare Conterfeytsel aen / het Metselaers, Steen houwers / Lay deckers en Lootgieters Gildt / vereert op den eersten November / Ao 1659". Volgens de bepalingen van het metselaarsgilde moesten er vijf overlieden te zijn, te weten drie meesters-metselaars, een meester-steenhouwer en een meester-leidekker die tevens loodgieter was. Het schilderij is kunsthistorisch gezien natuurlijk geen meesterwerk, maar is toch een topstuk in de collectie te noemen, omdat er niet veel portretten bestaan van mensen werkzaam in het bouwambt, die dus verantwoordelijk waren voor het bouwen en onderhouden van de gebouwen in onze stad. Het schilderij wordt nooit getoond; het bevindt zich in het depot.

De bewapening van het Turfdragersgilde, M. Engel

Tot een geheel andere categorie behoort dit schilderij uit 1652. Het toont de bewapening van de leden van het Turfdragersgilde ter gelegenheid van de Aanslag op Amsterdam van stadhouder Willem II in 1650. De Amsterdammers werden te wapen geroepen om de stad te verdedigen. Het bericht dat gewapende ruiters de stad naderden drong te Amsterdam door in de vroege morgen van 30 juli 1650. Nog dezelfde ochtend besloot de vroedschap, door burgemeester Cornelis Bicker bijeen geroepen: "Zonder uitstel, den krijgsraad te vergaderen, om alle voorvallen te voorzien; de burgerij in de wapenen te doen komen". Intussen waren reeds, op Bickers bevel, de stadspoorten gesloten, de bruggen opgehaald, geschut naar de wallen gebracht en: "de burgerij en stadsbezetting in de wapenen gebragt. De gewapende burgery, wel voorzien van kruid, lood en lont, werd door de stad en aan alle poorten verdeeld" (Wagenaar). De burgers werden slechts met "pieken ende houwers" uitgerust. De turfdragers behoorden tot de minder welgestelde deel der "burgerij". Het wat houterig geschilderde portret van de bewapening van het Turfdragersgilde is een uniek document, dat niet in het museum kan ontbreken. Het is thans te zien in de 'tijdelijke' tentoonstelling in de Hermitage a/d Amstel.

SA 36939. IJsvermaak op het IJ voor Amsterdam, Arent Arentsz Cabel

Dit schilderij van Arent Arentsz Cabel (1585-1631) uit ca. 1621/22 toont het ijsvermaak op het IJ. De winter van 1620/21 was in de Nederlanden een van de koudste sinds mensenheugenis. Bij Amsterdam was het IJ geheel bevroren. De gehele stadsbevolking, jong en oud, arm en rijk, lijkt op dit schilderij vertegenwoordigd. Het ijs vormt daarbij het decor van zowel nering als vermaak. Op de achtergrond is een stadsprofiel te zien. In de verte zijn tal van markante gebouwen te herkennen. Het eerste aanknopingspunt aan de linkerkant is de Montelbaanstoren, gevolgd door de hoge Zuiderkerkstoren, met direct daarnaast de plompe Schreierstoren. Direct rechts van de Oude Kerk onderscheiden zich vaag de torens van de Beurs en het oude Stadhuis, gevolgd door de Nieuwe Kerk. Verder naar rechts op de achtergrond de Jan Rodenpoortstoren en, op de kade, de Haringpakkerstoren. Ook is de in het IJ gebouwde Stadsherberg te herkennen. Ook dit schilderij is thans te zien in de 'tijdelijke' tentoonstelling in de Hermitage a/d Amstel.

BA 2435/2436. David en Goliath, beeldengroep ontworpen door Albert Jansz Vinckenbrinck

Deze beeldengroep van de Bijbelse figuren David en Goliath en een schildknaap, toegeschreven aan Albert Jansz Vinckenbrinck (1604-1664) omstreeks 1650, is afkomstig van het Oude Doolhof aan de Prinsengracht. Dat was een populaire publiekstrekker, een pleziertuin uit de 17de eeuw, die tot diep in de 19de eeuw heeft bestaan. Bijzonder aan deze beelden is dat er een mechaniek is ingebouwd om de beelden te laten bewegen, echt een voorloper dus van beelden in de Efteling, een vergelijkbaar pretpark uit onze tijd. Goliath kan met zijn hoofd bewegen en met zijn ogen rollen. De houten beelden zijn in levensechte kleuren geschilderd. De toeschrijving aan de Amsterdamse kunstenaar Vinckenbrinck, bekend van onder meer de spectaculaire preekstoel in de Nieuwe Kerk, betreft alleen het ontwerp. Het zal door verschillende houtsnijders zijn gemaakt. De beelden stonden vanaf 1975 in het café-restaurant van het Amsterdams Historisch Museum, maar werden daarna in de Schuttersgalerij geplaatst. Het zou leuk zijn als de bezoekers van het museum met een druk op de knop het mechaniek in de beelden konden aansturen. Het kan een hedendaagse publiekstrekker zijn. Inmiddels is de beeldengroep naar het depot verhuisd.

SA 41038. Portret van Hendrick Staets door Matthijs Naiveu

Het portret van Hendrick Staets (1632-1687) uit 1683 toont de koopman op de stoep van zijn huis Herengracht 460, in de Gouden Bocht. Wij kijken langs de gevelwand richting de Nieuwe Spiegelstraat, een stadsbeeld dat we vandaag nog herkennen. Hedendaagse bewoners kunnen op precies dezelfde wijze op hun stoep worden geportretteerd. Een ander schilderij van Gerrit Berckheyde over de Gouden bocht, te zien in het Rijksmuseum (niet het bovenstaande schilderij), toont op Herengracht 460 de nog onbebouwde kavels 17 en 18 van de Vierde Uitleg. Deze kavels gingen door verschillende handen, voordat ze uiteindelijk in 1675 voor ruim tienduizend gulden gekocht werden door de katholieke koopman en makelaar Hendrick Staets. Het Staetshuys werd gebouwd in 1682/85 op één van de laatste erven van de Vierde Uitleg van 1663 die nog moesten worden bebouwd. Op een schilderij van Matthijs Naiveu uit 1683 is achter Hendrick Staets te zien dat een perceel nog onbebouwd is: het is afgezet met een schutting. Het betreft Herengracht 464 op de hoek met de Spiegelstraat.

SA 41337. De familie Jacott-Hoppesack, Pieter de Hooch

Tot mijn favorieten van de interieurs van Pieter de Hooch (1629-1684) behoort zeker dit portret van de familie Jacott-Hoppesack uit 1670. De marmeren vloer en vooral ook de marmeren schouw is wel heel sjiek en vermoedelijk gefantaseerd. De classicistische schouw lijkt op de monumentale schouwen in het stadhuis op de Dam. Jan Jacott (1632-na 1683), links gezeten, was lakenkoopman in de Warmoesstraat. Zoon Balthasar (1658-1714) wijst hem op de dochters Machtelina (1660-1701) en Elisabeth (1667-1672). Samen met de doorkijk naar de buitenplaats verbeeldt het schilderij het ideaal van iedere, zichzelf respecterende Amsterdamse koopman, een uniek beeld van wat zij nastreefden maar niet altijd wisten te realiseren. Te zien in de 'tijdelijke' tentoonstelling in de Hermitage a/d Amstel.

SA 7394. Anatomische les van Dr. Jan Deijman, Rembrandt

Rembrandt (1606-1669) schilderde twee maal een anatomische les. Het tweede werk, de anatomische les van Dr. Jan Deijman, dateert uit 1656, maar is een fragment van een doek dat oorspronkelijk ongeveer 245 bij 300 cm mat. In 1723 viel het ten prooi aan vlammen tijdens een brandje in de gildekamer in de Waag op de Nieuwmarkt, waar zich ook het anatomisch theater zelf bevond, waarna het schilderij zijn huidige vorm kreeg in de restauratie die volgde. Hoewel niet is uit te sluiten dat de chirurgijns aanvankelijk hebben overwogen het schilderij op te hangen in hun anatomiekamer aan de Nes, is het doek na voltooiing waarschijnlijk direct geplaatst in de gildekamer in de Waag, waar het in 1682 wordt vermeld. Het schilderij is momenteel te zien in de 'tijdelijke' tentoonstelling in de Hermitage a/d Amstel. Vergeleken met eerdere anatomische lessen is dit schilderij vernieuwend vanwege de extreme verkorting van het lijk waardoor de voeten haast uit het schilderij lijken te steken.

SA 7360. Plafond met allegorische voorstellingen, Gerard de Lairesse

Op het hoogtepunt van zijn roem maakte de bekende en beroemde 17de-eeuwse schilder Gerard de Lairesse (1640-1711) enkele belangrijke plafonds, waaronder dit spectaculaire exemplaar uit 1685 bestaande uit acht doeken. Het plafond met allegorische voorstellingen is afkomstig uit het Leprozenhuis. Dat stond op het huidige Mr. Visserplein en werd gesloopt in 1866. De Lairesse maakte ook plafonds voor particuliere huizen (zoals het hierboven genoemde Herengracht 476) en schreef ook een handboek over de schilderkunst, waarin belangrijke aanwijzingen staan hoe een goed plafondstuk te schilderen. De plafondschilders na hem kunnen ingedeeld worden in de mate waarin zij zijn aanwijzingen navolgen. De belangrijke 18de-eeuwse schilder Jacob van Wit was bijzonder goed op de hoogte van het werk van De Lairesse. Ook daarom is het belangrijk dat het werk van De Lairesse in zijn geheel op zaal wordt getoond. Het is, ook door zijn grote omvang, vrijwel nooit te zien. Het werd wel getoond op de speciale De Lairesse-tentoonstelling in Rijksmuseum Twente.

SA 40960. Portret van Nicolaes Listingh, Arnold Boonen

Portret van Nicolaes Listingh door Arnold Boonen (1669-1729) uit 1702. Nicolaas Listingh (1630-1705) komt in de Amsterdamse archieven vooral voor in zijn hoedanigheid als notaris en advocaat – zijn betrokkenheid bij de boedelafstand van Rembrandt in 1658 is het bekendst. Hij was echter ook kerkmeester van de Oude Kerk en hield zich als amateur-architect ook bezig met de bouwkunde. Op dit portret zijn ook de ontwerpen te zien van een - nooit gebouwde - koepelkerk voor de Botermarkt, het huidige Rembrandtplein, een project waarvoor Listingh hartstochtelijk pleitte maar niet kon verwezenlijken. Het megalomane kerkgebouw moest de belangrijkste kerk van Amsterdam worden en zou de Amstelkerk vervangen. Het stadsbestuur was echter niet geïnteresseerd in een nieuw kerkproject, waardoor het tijdelijke houten noodgebouw op het Amstelveld is blijven bestaan. Ook vanuit kunsthistorisch gezichtspunt is het portret van belang. Als leermeester van zowel Jan Maurits Quinkhard als Cornelis Troost moet Boonen worden beschouwd als de belangrijkste schakel tussen de 17de- en 18de-eeuwse portretkunst in Amsterdam. Het portret is om verschillende redenen belangrijk genoeg om in het museum getoond te worden, maar het bevindt zich in het depot.

SB 6406. De Bocht van de Herengracht, Gerrit Berckheyde

Er is geen andere stad die zoveel is afgebeeld als Amsterdam. De Bocht van de Herengracht gezien vanaf de brug bij de Vijzelstraat van Gerrit Berckheyde (1638-1698) uit 1672 is één schilderij uit een serie van schilderijen over de Gouden Bocht; de andere twee zijn te zien in het Rijksmuseum. Dit schilderij toont de Herengracht in 1685. De afgebeelde huizen (waaronder Herengracht 476) zijn alle kort geleden opgeleverd, als onderdeel van de Vierde Uitleg. Op het schilderij zijn geen bomen te zien, maar we weten dat die er wel al waren: Berckheyde liet ze weg om de huizen beter te laten uitkomen. Het schilderij is momenteel te zien op de tijdelijke tentoonstelling in de Hermitage aan de Amstel.

SA 644. De Noordermark in de winter, Abraham Beerstraaten

Deze winterimpressie van Abraham Beerstraten (1639-1665) toont het ijsvermaak op de Prinsengracht, ter hoogte van de Anjeliersgracht (na demping in 1861 Westerstraat geheten). De Noorderkerk is het eerste Amsterdamse kerkgebouw waarvan de architectuur volledig is afgestemd op de in de Protestantse dienst centraal staande preek. De kerk heeft de vorm van een kruis met vier gelijke armen. Het ontwerp wordt toegeschreven aan stadsbouwmeester Hendrick de Keyser, maar de in 1623 in gebruik genomen kerk werd in ieder geval voltooid door de stadstimmerman Hendrick Jacobsz. Staets. Opmerkelijk aan dit schilderij is de lange rij identieke trapgevels achter de Noorderkerk: de Derde Uitleg van 1613 was eigenlijk een Vinex-wijk. De variatie in de architectuur is pas in de loop van de eeuwen ontstaan. Het schilderij is niet op zaal te zien, maar bevindt zich in het depot.

SA 7455. De Bloemenmarkt, Gerrit Berckheyde

In de Amsterdam-Collectie bevinden zich een groot aantal stadsgezichten, die tezamen een uniek beeld geeft van de schoonheid van onze historische stad. Je kan er gemakkelijk een hele zaal mee vullen. Dit schilderij van de Bloemenmarkt van Berckheyde uit ca. 1660/80 is niet alleen van belang om de enorme omvang van het nieuwe stadhuis op de Dam in de 17de-eeuwse stedenbouwkundige omgeving te bevatten, maar ook om de schoonheid van onze grachtenstad te begrijpen. Het bochtige verloop van de Nieuwezijds Voorburgwal maakte deze gracht zeer pittoresk. De demping van die gracht was een grote aanslag op de stad, een duidelijk en aansprekend voorbeeld van 'stedenschennis'.

SB 5380. De Haarlemmerpoort, Hendrick Cornelisz Vroom

Als laatste voorbeeld toon ik dit schilderij van de Haarlemmerpoort, gezien vanaf de Haarlemmerdijk, van Hendrik Cornelisz Vroom uit 1615. De poort, ontworpen door stadsarchitect Hendrick de Keyser maakt deel uit van de stadswal van de Derde Uitleg van 1613. Deze Haarlemmerpoort is niet bewaard gebleven, maar werd in de 19de eeuw vervangen door de huidige Willemspoort op het Haarlemmerplein. Ook de stadswal zelf bestaat niet meer, al zijn enkele bolwerken nog te herkennen in enkele plantsoenen langs de Singelgracht. De Haarlemmerdijk bestaat nog wel, maar is niet meer zo herkenbaar als een waterkering, ook al functioneert die wel nog als zodanig. Dit topstuk is te zien in de Amsterdam Museum-Vleugel van de Hermitage, Amstel 51.

SB 4842. De regentessen van het Burgerweeshuis, Jacob Adriaensz Backer

Je zou kunnen zeggen dat het Burgerweeshuis, waarin het museum is gevestigd, zelf ook onderdeel uitmaakt van de collectie. De regentenkamer is op zichzelf al een reden het museum te bezoeken. Daar hangen enkele regentenstukken, die tot de Amsterdam-Collectie behoren. Mijn favoriet is het schilderij van Jacob Adriaensz Backer (1608-1651) uit ca. 1633/34 van de vier regentessen van het weeshuis. Een binnenmoeder toont een weeskind, wat bijna associaties oproept met het Bijbelse verhaal van de presentatie van Jezus in de tempel. De regentessen zijn van links naar rechts: Dieuwertje Bicker (1584-1641), Annetge Backer (1572-1639), Aechje Oetgens van Waveren (1566-1639) en Aegen Francken (1572-1651). We mogen vanwege de lichtval aannemen dat het doek bestemd is geweest voor de wand waar het nog altijd is te bewonderen.

SA 36353. Amsterdamse weesmeisjes in een gang voor een stadsprofiel van Amsterdam, Nicolaas van der Waay

Het fraaie schilderij van Nicolaas van der Waay (1855-1936) uit ca. 1900-1905 van Amsterdamse weesmeisjes, op hun zondags gekleed op weg naar de kerk, met op de achtergrond een stadsprofiel, alsof het het Amsterdamse van dit tafereel wil benadrukken, kan niet ontbreken in het museum, gevestigd in het vml. Burgerweeshuis. Het werk roept, volgens de beschrijving van het museum zelf, "een sprookjesachtig beeld op, dat waarschijnlijk niets met de harde werkelijkheid in het weeshuis van doen had". Maar waarom zou dit niet ook een deel van de werkelijkheid zijn? Het essentiële schilderij hangt niet op zaal, maar hangt te verstoffen in het depot.

(25 maart 2021)

[Over deze website]   [Contact opnemen]   [Inloggen]